De gemiddelde Nederlander is financieel ongeletterd. Eenvoudige vragen over rente, inflatie en aandelen kan hij niet beantwoorden en bij de opbouw van vermogen is hij risicomijdend. Klik verder om zelf de test te doen.
Deze conclusies trekt de econoom Maarten van Rooij op basis van onderzoek waarop hij donderdag aan de Universiteit Utrecht promoveert.
Quiz
Van Rooij legde aan 1500 huishoudens 'quizvragen' over economie en financiën voor. Slechts vier op de tien mensen wist vijf eenvoudige vragen ,,die elke econoom zo kan beantwoorden" goed te beantwoorden.
De Nederlander heeft echter geen last van financiële zelfoverschatting. ,,Ze weten van zichzelf dat ze weinig weten", aldus Van Rooij. Dit lijkt zich te vertalen in het gedrag. Mensen met een laag kennisniveau doen minder aan langetermijnplanning voor bijvoorbeeld het pensioen en beleggen minder in aandelen.
Lees ook het
rapport, met als afsluiting een ruime Nederlandse samenvatting
Hoe goed bent u op de hoogte? Maak de quiz:
Basis kennis
1. Stel dat je 100 euro op de bank zet tegen een rentepercentage van 2% per jaar. Hoeveel geld staat er op de rekening na vijf jaar wanneer de rente niet wordt opgenomen?
Meer dan 102 euro
Precies 102 euro
Minder dan 102 euro
Geen idee
2. Stel iemand heeft 100 euro op de bank staan waarop 20% per jaar wordt vergoed. Tot welk bedrag is dit uitgegroeid na vijf jaar, wanneer de rente niet wordt opgenomen?
Meer dan 200 euro
Precies 200 euro
Minder dan 200 euro
Geen idee
3. Wanneer de rente die op een spaarrekening wordt vergoed 1% is en de inflatie is 2%, hoeveel kun je dan na 1 jaar kopen met het geld op de rekening?
Meer dan nu
Precies hetzelfde als nu
Minder dan nu
Geen idee
4. Een vriend erft vandaag 10.000 euro en zijn echtgenote erft over drie jaar eveneens 10.000 euro. Wie is door deze erfenissen rijker?
De vriend
Zijn echtgenoete
Zij zijn allebei even rijk
Geen idee
5. Stel dat volgend jaar het inkomen is verdubbeld en alle prijzen eveneens. Hoeveel kan je volgend jaar kopen met je salaris?
Meer dan nu
Precies hetzelfde als nu
Minder dan nu
Geen idee
We maken het iets moeilijker
6. Wat is de belangrijkste functie van de effectenbeurs?
De effectenbeurs helpt bij het voorspellen van de winst (per aandeel)
De effectenbeurs leidt ertoe dat de aandelenkoersen stijgen
De effectenbeurs brengt beleggers die willen kopen en zij die willen verkopen bij elkaar
Geen van deze antwoorden is juist
Geen idee
7. Welke van de volgende beweringen is correct? Wanneer iemand op de beurs een aandeel in onderneming B. koopt:
Bezit hij een deel van onderneming B.
Heeft hij geld geleend aan onderneming B.
Is hij aansprakelijk voor de schulden van onderneming B.
Geen van deze antwoorden is juist
Geen idee
8. Welke van de volgende beweringen is correct?
Wanneer je geld belegt in een beleggingsfonds kun je je geld in het eerste jaar niet opvragen
Beleggingsofnsen kunnen beleggen in verschillende categorieën, zoals aandelen en obligaties
Beleggingsfondsen betalen een gegarandeerd rendement uit dat is gebaseerd op het resultaat uit het verleden
Geen van deze antwoorden is juist
Geen idee
9. Welke van de volgende beweringen is correct? Wanneer iemand een obligaties in onderneming B. koopt:
Wanneer iemand een obligaties in onderneming B. koopt:
Bezit hij een deel van onderneming B.
Heeft hij geld geleend aan onderneming B.
Is hij aansprakelijk voor de schulden van onderneming B.
Geen van deze antwoorden is juist
Geen idee
10. Een belegging in welke beleggingscategorie levert op de lange termijn (10 tot 20 jaar) normaal gesproken het hoogste rendement op?
Spaarrekening
Aandelen
Obligaties
Geen idee
11. De waarde van welke belegging vertoont over de jaren de meeste fluctuaties?
Spaarrekening
Aandelen
Obligaties
Geen idee
12. Als een belegger zijn geld spreidt over verschillende beleggingscategorieën, wat heeft dat voor gevolg voor het risico dat hij zijn geld verliest?
Dat wordt groter
Dat wordt kleiner
Dat blijft hetzelfde
Geen idee
13. Een belegger die een staatsobligatie met een looptijd van 10 jaar koopt, kan deze obligatie na 5 jaar niet verkopen zonder een boete te betalen. Waar of niet waar?
Waar
Niet waar
Geen idee
14. Aandelen kennen normaal gesproken een hoger risico dan obligaties. Waar of niet waar?
Waar
Niet waar
Geen idee
15. Het risico van een belegging in een aandeel is lager dan dat van een belegging in een beleggingsfonds?
Waar
Niet waar
Geen idee
16. Wanneer de rente daalt, hoe reageren dan de obligatiekoersen?
Deze stijgen
Deze dalen
Deze blijven hetzelfde
Is niet zonder meer cijfers te berekenen
Geen idee
Komt u er niet uit? Klik hier voor de antwoorden
RTLZ.nl