

Het rapport van de commissie Davids is opmerkelijk. Zo op het eerste gezicht is het degelijk, weloverwogen, feitelijk georiënteerd en houdt het een gepaste politieke afstand in acht. Bij nader inzien is echter sprake van een typisch Nederlands gebrek.
Niet de mensen van de werkvloer zijn aan het woord, maar de managers van onze samenleving, die verblijven in de bovenste verdieping van gebouwen, ver verwijderd van het maatschappelijk slachtveld (Over deze rol van managers schrijf ik in “Echte Economie”, 13e druk 2009).
Hiervan is een illustratie het thema van de vermeende, daadwerkelijke bijdrage van Nederlandse militairen aan de gevechten in Irak. De commissie heeft voor deze bijdrage geen bewijs gevonden. De formulering geeft te denken, omdat deze bijdrage zodoende niet wordt ontkend.
Met wie had de commissie moeten spreken om hier achter te komen? Niet met commandanten, generaals en secretarissen-generaal aan de top, zoals in werkelijkheid is gebeurd. Deze weten van niets of hebben aan ondergeschikten medegedeeld dat zij niets willen weten.
Bewindslieden geven soms weloverwogen hun ambtenaren opdracht over bepaalde dossiers geen informatie te verstrekken, zodat zij onder alle omstandigheden onkunde en onwetendheid kunnen veinzen.
De commissie Davids heeft er bewust voor gekozen niet te spreken met de soldaten en korporaals op de militaire werkvloer, die in het veld staan en uitvoerend bezig zijn. Door die werkwijze stond de conclusie dat geen bewijzen zijn gevonden bij voorbaat vast. Deze weeffout in het goede werk van de commissie breekt Nederland op, zodra Nederlandse militairen die in Irak hebben meegedaan met de operaties, hun mond open doen. De kans hierop is groot, nu of later.
RTLZ.nl