Ongeveer 1 op de 7 Nederlanders heeft ooit een depressie gehad. Een depressie is een psychische ziekte waarvan de belangrijkste kenmerken zijn: een sombere depressieve stemming, leegheid en het verlies van interesse en plezier. Hoe de depressie opgelost kan worden hangt af van de mate van de depressie. Lichte depressies gaan vaak vanzelf over. Bij matige depressies kan het met praten met een psychiater of psycholoog opgelost worden en indien nodig met medicatie. Als er sprake is van een ernstige depressie begint men doorgaans met medicatie, omdat praten dan niet eens gaat.
Naar welke instanties kunt u gaan als u een depressie hebt? En wat is het verschil tussen deze instanties? Daarover praten we met professor Kahn, hoogleraar in de psychiatrie.
Iemand die last heeft van een depressie kan door de huisarts verwezen worden naar drie verschillende instanties of mensen: de Geestelijke Gezondheids Zorg (GGZ, vroeger het RIAGG), een psychiater op een polikliniek van een ziekenhuis of een vrijgevestigde psychiater. De verschillen tussen deze instanties zit in de doorlooptijd, het aantal mensen dat je spreekt en de snelheid van het veranderen van de behandeling.
Bij een GGZ instelling worden zaken die niet relevant lijken voor de ziekte wel bekeken. Dit betekent dat een GGZ veel tijd besteedt aan diagnostische fase. U spreekt met veel verschillende mensen en voert veel gesprekken. Een multidisciplinair team komt vervolgens tot een diagnose en een therapievoorstel. Hierdoor zijn er lange doorlooptijden bij de GGZ.
Psychiaters (vrijgevestigd of in de polikliniek) kijken sneller naar datgene wat hen relevant lijkt. Meestel wordt dit niet met meerdere mensen besproken dus een therapie voorstel kan er sneller komen.
Bij alle instanties zullen de toegangstijden hoog zijn. Uw huisarts kan echter druk uitoefenen op de vrijgevestigde psychiater en de psychiater op de polikliniek zodat de toegangstijd verkort kan worden. Bij de GGZ is dit veel lastiger. Een ander punt waar u rekening mee moet houden bij de keuze van de instantie, is dat er in sommige regio’s nauwelijks vrijgevestigde psychiaters zijn.
Er zit ook een verschil in behandeling tussen de instanties. Als er bij de GGZ begonnen word met psychotherapie (praten) wordt dit meestal gedaan door een psycholoog of een sociaal psychiatrisch verpleegkundige. Als dit onvoldoende effect heeft kan er medicatie worden toegevoegd aan de behandeling (pillen). Dit moet echter door een 2e behandelaar, de psychiater, gedaan worden. Meestal wordt een dergelijk besluit voorbesproken in een multi diciplinair team.
De psychiater van de polikliniek of vrijgevestigde psychiater kan de patiënt zowel met praten als met pillen behandelen. Het switchen tussen deze vormen van behandelen gaat snel en gemakkelijk, omdat de psychiater dit niet hoeft te overleggen.
Vragen die u kunt stellen zijn:
Bij zowel de GGZ instelling, de psychiater op de polikliniek en de vrijgevestigde psychiater kunt u de volgende twee vragen stellen:

