RTL Z

De antwoorden van de financiële quiz

    
Mon, 5 Jan 2009 16:15:51 +0100( LAATSTE UPDATE: Mon, 05 Jan 2009 17:15:51 GMT )

De antwoorden, mét onderbouwing, van de 16 vragen over financiële kennis 1. Stel dat je 100 euro op de bank zet tegen een rentepercentage van 2% per jaar. Hoeveel geld staat er op de rekening na vijf jaar wanneer de rente niet wordt opgenomen? Antwoord A: Meer dan 102 euro. Na één jaar staat er al 102 euro op de rekening (2% van 100 euro + de 10 euro die er al staat). Over dat bedrag krijgt de rekeninghouder nóg vier maal rente. 2. Stel iemand heeft 100 euro op de bank staan waarop 20% per jaar wordt vergoed. Tot welk bedrag is dit uitgegroeid na vijf jaar, wanneer de rente niet wordt opgenomen? Antwoord A. Meer dan 200 euro. Het eerste jaar levert 20% van 100 euro is 20 euro rente op. Dat is in de vier jaar waarom het geval. Daarbovenop wordt op de ontvangen rente ook nog eens rente ontvangen.

3. Wanneer de rente die op een spaarrekening wordt vergoed en de inflatie is 2%, hoeveel kun je dan na 1 jaar kopen met het geld op de rekening? Antwoord C. Je gaat er 1% in koopkracht op achteruit (+1% rente - 2% inflatie = -1% koopkracht) 4. Een vriend erft vandaag 10.000 euro en zijn echtgenote erft over drie jaar eveneens 10.000 euro. Wie is door deze erfenissen rijker? Antwoord A. Hij Ontvangt die 10.000 euro nu al, zijn echtgenote pas over 3 jaar. De vriend kan in de tussentijd drie jaar een rendement maken door het op de bank te zetten. 5. Stel dat volgend jaar het inkomen is verdubbeld en alle prijzen eveneens. Hoeveel kun je volgen jaar kopen met je sallaris? Antwoord B. Als je inkomen verdubbelt van 100 euro naar 200 euro en de prijs van een brood van 1 euro naar 2 euro kun je na één jaar nog steeds evenveel broden kopen (100 om precies te zijn) 6. Wat is de belangrijkste functie van de effectenbeurs? Antwoord C. De effectenbeurs brengt vraag en aanbod bij elkaar. 7. Welke van de volgende beweringen is correct? Wanneer iemand op de beurs een aandeel in onderneming B. koopt: Antwoord A. Bezit hij een deel van onderneming B. 8. Welke van de volgende beweringen is correct? Antwoord B. Beleggingsfondsen kunnen beleggen in verschillende categorieën, zoals aandelen en obligaties. 9. Welke van de volgende beweringen is correct? Wanneer iemand een obligaties in onderneming B. koopt: Antwoord B. Heeft hij geld geleend aan onderneming B. 10. Een belegging in welke beleggingscategorie levert op de lange termijn (10 tot 20 jaar) normaal gesproken het hoogste rendement op? Antwoord C. Aandelen 11. De waarde van welke belegging vertoont over de jaren de meeste fluctuaties? Antwoord C. Aandelen 12. Als een belegger zijn geld spreidt over verschillende beleggingscategorieën, wat is dan het risico dat hij zijn geld verliest? Antwoord B. Wordt kleiner. Aandelen en obligaties reageren totaal verschillend op rente-ontwikkelingen. Vastgoed kent ook weer een andere cyclus. 13. Een belegger die een staatsobligatie met een looptijd van 10 jaar koopt, kan deze obligaties na 5 jaar niet verkopen zonder een boete te betalen. Waar of niet waar? Antwoord B, niet waar. een staatslening is genoteerd op de beurs en kan dus gewoon worden verkocht. Wél kan het zo zijn dat wanneer de rente ondertussen is gestegen, de koes van de obligatie is gedaald 14. Aandelen kennen normaal gesproken een hoger risico dan obligaties. Waar of niet waar? Antwoord A, waar. Op obligaties krijgt de belegger in ieder geval de rente uitbetaald (tenzij het bedrijf of de overheid die de obligatie heeft uitgegeven ten onder gaat). De houder van een aandeel moet nog maar wachten of hij dividend krijgt. Beleggers betalen voor de zekerheid die ze krijgen bij obligaties. De keerzijde van de medaille is wel dat het verwachte rendement op oblities lager ligt dan bij aandelen. 15. Het risico van een belegging in een aandeel is lager dan dat van een belegging in een beleggingsfonds. Antwoord B, niet waar. Met een belegging in een beleggingsfonds wordt het geld gespreid over de aandelen van meerdere bedrijven. Risicospreiding verkleint het risico. 16. Wanneer de rente daalt, hoe reageren dan de obligatiekoersen? Antwoord A, de koersen stijgen. Beleggers krijgen op een nieuwe obligatie die wordt uitgegeven een lagere rente vergoed dan over de al bestaande obligatie. Dan zij beleggers bereid meer geld neer te leggen voor die oudere, al bestaande obligatie. Terug naar de vragen

©RTLZ.nl

 

Best gelezen artikelen

Best bekeken video's