De Rekenkamer stelde vorig week dat het verlies op de transactie zou kunnen oplopen tot EUR1,6 miljard, als de negatievere berekening van een externe adviseur zou worden gevolgd, in plaats van de positievere raming van ABN Amro zelf, die uitkwam op een maximaal verlies van EUR1,12 miljard.
Volgens Bos houdt de Rekenkamer echter geen rekening met een aantal belangrijke punten, met name het effect van belastingen, de reeds genomen voorzieningen en de verdeling van het kredietrisico, dat voor 25% door Deutsche Bank wordt gedragen.
Gecorrigeerd voor deze factoren zou de raming van de externe adviseur Citibank volgens Bos uitkomen op EUR1,31 miljard negatief, in een zogenaamd 'worst case scenario'.
Het verschil met de berekening van ABN Amro zelf zit hem vooral in feit dat Citibank een twee keer zo hoog percentage niet-uitwinbare verliezen bij faillissement veronderstelt, op basis van historische informatie van kredietbeoordelaar Moody's. Waar Citibank uitgaat van 35%, rekent ABN Amro op basis van eigen historische informatie op 17%.
Minister Bos noemt het teleurstellend dat de Rekenkamer zijn reactie op het rapport niet heeft verwerkt in het eindrapport.
Hij merkt nog op dat er behalve een 'worst case scenario' ook een 'best case scenario' mogelijk is, waarin het verlies voor ABN Amro EUR940 miljoen zou zijn.
De Rekenkamer stelde het onderzoek in op verzoek van de Tweede Kamer, die de verliesgevende transactie moet beoordelen. De verkoop van de onderdelen was een voorwaarde van de Europese Commissie voor de geplande fusie van de twee in staatshanden verkerende banken ABN Amro en Fortis Bank Nederland.
