Vanuit de Fed, die daarover moet beslissen, krijgen we gemengde signalen. De notulen van de vergadering van het beleidscomité van de Fed op 19 en 20 juni lieten bijvoorbeeld zien dat sommige leden van het comité voor meer stimulering waren, terwijl anderen dat pas nodig vonden als de economie verder zou verzwakken. In een recente toespraak voor het Congres hield Fed-voorzitter Bernanke zich redelijk op de vlakte.
Ik denk niet dat er snel een nieuwe ronde van stimulering zal komen, simpelweg omdat de economische en marktomstandigheden niet zwak genoeg zijn. Laat ik de huidige situatie maar eens vergelijken met die in 2010, toen de Fed QE2 aankondigde en startte en 2011 toen Operation Twist – waarbij de Fed staatsobligaties met een lange looptijd koopt en met een korte looptijd verkoopt – in het leven werd geroepen.
In alle drie periodes was er sprake van een groeivertraging. De ISM-manufacturing index, een maat voor het vertrouwen onder producenten en een goede barometer van de Amerikaanse economie, daalde tot 55.7 in juli 2010 en tot 51.4 in juli 2011. In juni dit jaar daalde deze indicator voor het eerst sinds juli 2009 onder de 50. Een niveau onder de 50 duidt op krimp in de industrie, maar nog niet in de gehele economie. Anyway, als we puur kijken naar de ISM-index, dan zou dat pleiten voor QE3. De groei van het BBP verzwakte ook in de drie periodes. In 2011 was die afzwakking het sterkst, tot 0,4% geannualiseerde kwartaalgroei in het eerste kwartaal. In 2010 daalde de groei niet verder dan 2.5% in het derde kwartaal en voor het tweede kwartaal van dit jaar wordt een groei verwacht rond 1,5%. Wat dat betreft zitten we dus in het midden.
De groeivertraging was in alle drie de jaren te zien op de arbeidsmarkt. De werkgelegenheidscreatie daalde gedurende een aantal maanden tot een gemiddelde van zo’n 80 000 nieuwe banen per jaar. Dat is niet genoeg om de bevolkingsgroei bij te houden en de werkloosheid bleef dan ook een tijdje hangen rond 9½ in 2010, 9% in 2011 en 8% dit jaar.
Maar er zijn ook duidelijke verschillen. In april 2010 was de kerninflatie (inflatie exclusief energie- en voedselprijzen) gedaald tot 1,0% en in oktober 2011 tot slechts 0,6%. Nu is de kerninflatie al een aantal maanden stabiel net boven 2%. Er is nu minder kans op deflatie, iets wat de Fed tot elke prijs wil voorkomen. Daarnaast stijgt nu de bancaire kredietverlening, terwijl die in 2010 en 2011 nog zwak was of zelfs daalde. Ook de huizenmarkt staat er beter voor en toont nu tekenen van herstel. Huizen lijken niet meer te duur en de prijzen dalen dan ook niet meer.
Er is duidelijk minder stress in het financiële systeem. In 2010 daalde de S&P500 van april to juni met 13%. In juli en augustus 2011 ging de beurs zelfs met 17% onderuit. Dit jaar daalde de beurs in april en mei met zo’n 10%, maar is er in juni en juli een voorzichtige trend omhoog zichtbaar. De VIX-index, een graadmeter voor de volatiliteit op de aandelenmarkt en een goede indicator voor paniek, steeg op sommige dagen in 2010 en 2011 tot 45, maar is dit jaar nauwelijks hoger dan 25 geweest. Ook in het interbancaire systeem zijn geen tekenen van grote stress.
Dit alles afwegende en gezien het feit dat de Fed Operation Twist net tot het einde van het jaar heeft verlengd, lijkt mij de drempel voor QE3 vrij hoog. Er zijn nog twee complicerende factoren. De verkiezingen kunnen de Fed voorlopig van QE3 doen afzien. Als de Fed QE3 vlak voor de verkiezingen zou aankondigen, zouden de Republikeinen de centrale bank partijdigheid kunnen verwijten. En de Fed staat er toch al niet al te best op bij veel Republikeinen. Dan is er nog Europa. Met de sterke stijging van de rentes in Spanje en Italië is de situatie er niet beter op geworden. Bernanke zou QE3 kunnen inzetten als voorzorgsmaatregel tegen negatieve effecten vanuit Europa. Belangrijke momenten om in het oog te houden zijn de beleidsvergaderingen van de Fed begin augustus en half september en de jaarlijkse conferentie in Jackson Hole eind augustus.
©Joost van Leenders, Investment Specialist BNP Paribas